Geschiedenis van Communicatie

Communicatie in middeleeuws Europa

Communicatie in de Middeleeuwen bleef meestal beperkt tot een kleine, begrensde eenheid. De middeleeuwse mens behoorde immers tot kleine, vaak corporatieve kringen. Vooral in de landelijke gemeenschappen waren orale en non-verbale communicatievormen toonaangevend. In die gemeenschappen werd kennis niet bewaard en doorgegeven door middel van het schrift, maar wel door het aan het collectieve geheugen toe te vertrouwen. De meeste volksverhalen en liederen werden daarom in dichtvorm voorgedragen, op die manier konden ze makkelijker onthouden worden. De literatuur in de volkstaal uit de vroege Middeleeuwen werd pas in de 11de-13de eeuw op schrift gesteld. De orale en non-verbale vormen van communicatie die in het weinig geletterde middeleeuws Europa de bovenhand hadden, waren van erg verschillende aard: liederen, volksverhalen, preken, rituele optochten, toneelopvoeringen, schilderijen en glasramen in kerken, gebaren, enzovoort.

Toch waren er ook in de Middeleeuwen communicatiekanalen die langere afstanden wisten te overbruggen, ondanks het ontbreken van een geregeld, georganiseerd systeem. Zo waren er rondreizende zangers (troubadours). In hun liederen op rijm werd regelmatig historische en politiek actuele informatie verwerkt. Ook pelgrims brachten nieuws mee uit verre streken. Bovendien stonden middeleeuwse vorsten met elkaar in verband door middel van officiële gezantschappen of gewone bodes.

Alles bij elkaar genomen bleef communicatie over de lange afstand in de Middeleeuwen een traag proces. Die traagheid leidde tot vervormingen en geruchten. Zo bereikte het bericht van de dood van keizer Frederik Barbarossa in Klein-Azië (juni 1190) het Duitse Rijk pas na vier maanden. In de 12e eeuw werden rooksignalen voor het eerst gebruikt. Indianen gebruikten het om met behulp van heel simpele signalen met elkaar te communiceren. In diezelfde eeuw werden ook postduiven ingezet voor communicatie.

Op het niveau van de geleerde wereld kwam bij het bewaren en verspreiden van kennis een belangrijke rol toe aan het handgeschreven boek (codex, manuscript). De middeleeuwse kloosters hebben in dit opzicht een ware pioniersrol vervuld. De Heilige Benedictus van Nursia was de geestelijke vader van het bibliotheekwezen. Zijn befaamde regel bepaalde onder meer dat elke monnik elke dag een aantal uren aan lectuur moest besteden. Daarom diende elk klooster over een bibliotheek te beschikken. Ook werden in de middeleeuwse kloosters handschriften vervaardigd en overgeschreven. Dit gebeurde in het scriptorium.

In de late Middeleeuwen nam de vraag naar handschriften nog toe. Onder de geletterde burgerij in de steden was er een groeiende vraag naar boeken. De scriptoria in de kloosters waren onvoldoende uitgerust om aan die vraag te voldoen. Vandaar dat in de steden ook lekenscribenten zich gingen toeleggen op het kopieerwerk. Ook in technisch opzicht zorgden de late Middeleeuwen voor vernieuwing. Er werd niet alleen meer geschreven op perkament maar ook op het goedkopere papier dat een Chinese uitvinding was.

Previous Article
Next Article

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.